Het Franse proces over de aanslagen van 2015 start voor het “bijzonder” hof van assisen: the best of both worlds?

Aanstaande woensdag 8 september start in Parijs het langverwachte proces over de terroristische aanslagen van 13 november 2015. Twintig beschuldigden, waaronder Salah ABDESLAM en Mohamed ABRINI (“de man met het hoedje”), zullen er terechtstaan voor het bijzonder hof van assisen, samengesteld uit beroepsrechters. Later zullen ABDESLAM en ABRINI zich ook in Brussel moeten verantwoorden voor hun rol bij de aanslagen van 22 maart 2016. Dat zal gebeuren voor een gewoon hof van assisen met een volksjury. Welk systeem is te verkiezen?

In Frankrijk werden terrorismeprocessen in 1986 onttrokken aan de volksjury ten gevolge van een zaak waarin de jury bedreigd was door terreurverdachten tijdens het proces. Verschillende juryleden weigerden daarna om nog verder te zetelen in het hof van assisen, waardoor het proces een tijdlang stillag. Sindsdien worden terroristische misdrijven er berecht door vijf beroepsrechters die samen het bijzonder hof van assisen vormen. Naast de afwezigheid van een volksjury, is de beroepsmogelijkheid tegen de uitspraak van het bijzonder hof van assisen het belangrijkste verschil met een gewoon assisenproces. Voor het overige verloopt de procedure grotendeels gelijk, waarmee de traditie van het mondeling onderzoek ter zitting voor de zwaarste misdrijven standhoudt.

Concreet zullen deze beroepsrechters in het proces van de Parijse aanslagen van 2015 de komende acht maanden meer dan honderd getuigen ter zitting ondervragen, de veertien aanwezige beschuldigden (zes anderen zullen bij verstek worden berecht) verhoren en de pleidooien van de partijen (1800 burgerlijke partijen, het openbaar ministerie en de beschuldigden) aanhoren. Op basis van alle elementen die tijdens dit monsterproces naar voren worden gebracht, zullen de rechters de diverse schuldvragen in hoofde van elke beschuldigde moeten beantwoorden en desgevallend de gepaste strafmaat bepalen.

Dat dit een huzarenstuk wordt voor de vijf Franse beroepsrechters spreekt voor zich. Dat binnenkort in Brussel echter een gelijkaardige krachttoer verwacht wordt van twaalf “gewone mannen en vrouwen” in het Belgische terrorismeproces is voor velen ondenkbaar. Zo wordt er gewezen op de zeer technische aard van de tienduizenden te beantwoorden schuldvragen, de mentale impact van een dergelijk zwaarwichtig proces op de onvoorbereide en onervaren juryleden en het gekende risico op intimidaties. Sommigen pleiten zelfs voor de volledige afschaffing van de zeer tijdrovende en kostelijke assisenprocedure zodat terrorismeprocessen voor correctionele rechtbanken – waar er doorgaans geen tijd is voor uitgebreide getuigenverhoren – kunnen doorgaan.

Deze laatste groep onderschat echter het nut van het mondeling onderzoek ter zitting voor de waarheidsvinding. Die is namelijk gebaat bij het zogenaamde kruisverhoor van de getuigen en beschuldigden, waarbij alle partijen vragen kunnen (laten) stellen om eventuele discussiepunten uit te klaren. Anders moet men het doen met de processen-verbaal van de verhoren afgenomen tijdens het onderzoek, waarbij enkel de door de verbalisant relevant geachte vragen werden gesteld. Daarnaast komen tijdens dit mondeling debat niet alleen de daden van de beschuldigden aan bod, maar ook hun persoonlijkheid. Dit alles kan het verwerkingsproces van de slachtoffers bevorderen, doordat zij gehoord en erkend worden en mogelijk antwoorden vinden op hun vragen. Tot slot brengt een dergelijk proces vaker een doorgedrongen schuldinzicht bij de daders teweeg.

Deze belangen dienen te worden gevrijwaard in toekomstige terrorismeprocessen, waardoor een uitgebreid mondeling onderzoek mét getuigenverhoren volgens ons onmisbaar blijft. Of deze processen beter gevoerd worden voor beroepsrechters dan voor een volksjury, zal het Franse bijzonder hof van assisen vanaf woensdag moeten bewijzen.

nl_BENL