In mijn vorige bijdrage uitte ik mijn bezorgdheid over de tanende kennis van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Nauwelijks was de inkt droog, of de actualiteit leverde een pijnlijk bewijs van mijn punt.
De Amerikaanse ambassadeur White — één van de vele handpoppen van president Trump — vond het nodig om het Antwerpse gerechtelijk onderzoek naar illegale besnijdenissen als “antisemitisch” weg te zetten. Het onderzoek moest volgens hem worden stopgezet.
Dat deze ambassadeur precies het omgekeerde deed wat van een diplomaat wordt verwacht, nl. diplomatisch zijn, was voor mij geen reactie waard, maar wat er op volgde des te meer.
In De Ochtend op Radio 1 mocht André Gantman afgelopen zaterdag zijn visie geven op de zaak. Gantman, N-VA-politicus en auteur van meerdere boeken over Joodse thema’s, stelde zonder aarzelen: “Er bestaat geen enkele wet over besnijdenissen.”
Ik schrok bij de koffie wel even op.
De besnijdenis is een onomkeerbare ingreep aan het geslachtsdeel van de man. Een operatieve ingreep van de piemel door het wegsnijden van de voorhuid.
In het geviseerde gerechtelijk onderzoek gebeurt dit snijden in het lichaam door een religieuze moheel, doorgaans op de achtste dag na de geboorte van de te besnijden baby. Men zou in een aantal gevallen het bloed aan de piemel wegzuigen met de mond.
In België bestaat al vele jaren de wet op de uitoefening van de geneeskunde. Die stelt dat enkel personen met de juiste kwalificaties, erkenning en visum dit soort van behandelingen mogen stellen.
Daarnaast maakt het strafwetboek het aantasten van de lichamelijke integriteit strafbaar en bestaat er sedert 2002 ook een wet die de rechten van de patiënt formuleert. Een van die rechten stelt dat er een vrije en geïnformeerde toestemming nodig is voor dergelijk verregaande en onherstelbare ingrepen. Een kind van acht dagen heeft evident dat vermogen niet.
Ook internationaal is het kader helder. Zo zijn er de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, die de integriteit van het lichaam beschermen, is er artikel 3 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie en de artikelen 3 en 19 van het Internationaal Verdrag voor de rechten van het kind met telkens dezelfde gebiedende bescherming.
De heer Gantman, nochtans jurist van opleiding, sloeg niet enkel de bal mis door voor te houden dat er geen wettelijke regelgeving voor deze besnijdenissen bestaat, maar riep ook op tot rust en kalmte want “dit religieus gebruik bestaat al duizend jaar”, hier nog aan toevoegend “dat de politiek zich straks toch ook niet zal moeien met de rituelen van eucharistievieringen”?
Ofschoon ik al bijna een mensenleven geen eucharistie meer heb bijgewoond, worden er bij mijn weten tijdens de “heilige mis” geen penissen besneden. Wel wordt “het lichaam van Christus” met een hostie vergeleken, maar veel verder gaat men niet.
Gantman roept met andere woorden de vrijheid van godsdienst in om het besnijden van kinderen toe te laten.
Vrijheid van godsdienst is een fundamenteel recht.
Maar ze is niet absoluut.
Dat heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens herhaaldelijk bevestigd.
Vrijheid eindigt waar de rechten en vrijheden van een ander beginnen.
Wie een onmondig kind onderwerpt aan een onomkeerbare ingreep, raakt aan diens lichamelijke integriteit. En precies die integriteit wordt in onze rechtsorde beschermd.
Dat onderscheid zou anno 2026 toch geen hogere wiskunde mogen zijn.
Walter Van Steenbrugge
24 februari 2026
