Bad Leaver-clausules zijn niet meer weg te denken uit aandeelhoudersovereenkomsten. Ze moeten de continuïteit van de onderneming beschermen wanneer een aandeelhouder zich, kort samengevat, “onmogelijk” gedraagt. De typevoorbeelden van een Bad Leaver-situatie zijn fraude, bedrog, concurrentie, een eenzijdige beëindiging van de managementovereenkomst met (de managementvennootschap van) de aandeelhouder-bestuurder (vaak binnen een vooraf bepaalde minimumperiode) en een onherstelbare ernstige inbreuk op de aandeelhoudersovereenkomst. In zo’n geval krijgt de andere aandeelhouder(s) via een aankoopoptie het recht om de aandelen van de Bad Leaver over te nemen, vaak tegen een fors verminderde prijs (zoals de inbreng, de eigenvermogenswaarde of de reële waarde aan een discontovan 30%).
Op papier lijkt dat een sluitend mechanisme. In de praktijk is het lichten van een Bad Leaver-aankoopoptie echter een van de meer litigieuze en risicovolle beslissingen die een aandeelhouder kan nemen. Rechtbanken toetsen die uitoefening bijzonder kritisch, en recente (onuitgegeven) rechtspraak illustreert scherp waar het vaak fout loopt en welke verstrekkende gevolgen dat kan hebben. Tegelijk mag dat niet verhullen dat het ontbreken van zo’n clausule minstens even risicovol is. Wanneer een aandeelhouder zich effectief als Bad Leaver gedraagt, is er zonder aankoopoptie doorgaans geen snelle, buitengerechtelijke uitweg.
In deze bijdrage lichten wij toe waarom rechtbanken de uitoefening van een Bad Leaver-aankoopoptie zo streng beoordelen, wat daarvan de gevolgen kunnen zijn wanneer het misloopt, en waarom de clausule zelf – mits de juiste formulering en de juiste reflectie bij het lichten ervan – haar waarde behoudt.
- Een sterk, maar precair instrument
Juridisch is de Bad Leaver-aankoopoptie een optiecontract. De begunstigde aandeelhouder krijgt van bij de ondertekening van de aandeelhoudersovereenkomst het recht om, wanneer een vooraf omschreven Bad Leaver-situatie zich voordoet, eenzijdig te beslissen de aandelen van de andere partij te verwerven tegen een bepaalbare of bepaalde prijs (art. 5.25 Burgerlijk Wetboek). Voor de totstandkoming van de koop-verkoop is op dat moment enkel nog de wilsuiting van de begunstigde nodig; de verkopende partij heeft bij de uitoefening zelf geen inspraak meer.
Precies omwille van dat verstrekkend gevolg, zijnde het onvrijwillig verlies van het aandeelhouderschap, vaak tegen een prijs die (fors) lager ligt dan de werkelijke waarde, toetsen rechtbanken de uitoefening van een Bad Leaver-optie bijzonder strikt. In feite speelt de aandeelhouder-begunstigde de rol van de eerste rechter: hij beslist of een bepaalde situatie voldoende zwaarwichtig is om als Bad Leaverte gelden.
- Strikte interpretatie en een zware bewijslast
Wanneer een aandeelhouder een Bad Leaver-aankoopoptie licht, moet hij dus aantonen dat (één van) de contractueel omschreven Bad Leaver-situatie(s) zich effectief voordeed op het ogenblik van de uitoefening van de optie. Wat pas achteraf aan het licht komt of zich pas na de uitoefening voordoet, kan een eerder ongegronde uitoefening niet alsnog rechtvaardigen. Even streng geldt dit voor de aangevoerde grond zelf: een reden die weliswaar al bestond op het ogenblik van de uitoefening, maar toen niet werd ingeroepen, kan later in de procedure niet alsnog worden bijgehaald om een eerder betwiste uitoefening te rechtvaardigen.
Bovendien wordt een Bad Leaver-clausule die spreekt van een “niet-remedieerbare ernstige inbreuk” (of iets dergelijks) niet ruim gelezen. Rechtbanken benadrukken dat partijen bij het sluiten van de aandeelhoudersovereenkomst moeten kunnen inschatten in welke feitelijke situaties zij hun aandelen kunnen verliezen. Een conflict tussen aandeelhouders volstaat op zich niet: het moet gaan om een inbreuk die elke verdere samenwerking definitief onmogelijk maakt én die niet kan worden geremedieerd. Stevige taal en frustratie zijn dat op zich niet.
Concreet: documenteer nauwkeurig op basis van welke feiten een Bad Leaver-situatie zich voordoet. Indien u overweegt om een Bad Leaver-optie uit te oefenen, toets dan of de aangevoerde feiten wel binnen het toepassingsgebied van de limitatief omschreven Bad Leaver-gronden uit de aandeelhoudersovereenkomst vallen. De rechter beoordeelt uitsluitend de situatie zoals die bestond op het ogenblik van de uitoefening van de optie.
- De achilleshiel: de onderliggende beslissing
Wanneer de betrokken aandeelhouder daarnaast ook bestuurder in de vennootschap is, geeft een Bad Leaver-situatie in de praktijk vaak eerst aanleiding tot een besluit van het bestuursorgaan waarbij de situatie wordt vastgesteld en wordt aangewend om de lopende overeenkomst van zelfstandige dienstverlening, gesloten tussen de vennootschap en de (managementvennootschap van de) betrokken aandeelhouder-bestuurder, te beëindigen. De aandeelhouder-begunstigde zal vervolgens verzoeken de (bijzondere) algemene vergadering bijeen te roepen om te beslissen over het ontslag van de aandeelhouder-bestuurder. Die beslissingen moeten op hun beurt volgens de vigerende statutaire en vennootschapsrechtelijke regels tot stand komen. Zo moet de betrokken bestuurder worden opgeroepen voor zowel de raad van bestuur als de algemene vergadering en hij moet vooraf over de agenda worden geïnformeerd, ook (en vooral) wanneer de vergadering net over zijn eigen positie beslist.
Beide stappen zijn afzonderlijk aanvechtbaar: ook wanneer de beslissing tot beëindiging van de overeenkomst van zelfstandige dienstverlening of tot beëindiging van het mandaat als bestuurder zelf formeel correct tot stand kwam, kan de daaropvolgende optie-uitoefening alsnog sneuvelen wanneer de inhoudelijke grond ervoor niet overtuigt.
Wanneer de aandeelhoudersovereenkomst de beëindiging van de overeenkomst van zelfstandige dienstverlening of het bestuursmandaat zelf als Bad Leaver-situatie aanmerkt, is de rechtsgeldigheid van die beëindiging rechtstreeks relevant voor de uitoefening van de aankoopoptie. Wordt de betrokken aandeelhouder-bestuurder niet (correct) opgeroepen voor de hiervoor vermelde vergaderingen van het bestuursorgaan en de algemene vergadering, dan zijn de onderliggende beslissingen vatbaar voor nietigverklaring (exart. 2:42 WVV). Wordt die beslissing vervolgens nietig verklaard, dan werkt die nietigverklaring terug tot het ogenblik waarop de beslissing werd genomen. Indien de beëindiging zelf de contractueel omschreven Bad Leaver-trigger vormt, kan daarmee ook de grondslag voor de aankoopoptie wegvallen. De daaropvolgende uitoefening van de aankoopoptie komt dan eveneens op losse schroeven te staan. Het volstaat met andere woorden niet dat de aandeelhouder-begunstigde meent dat er sprake is van een Bad Leaver-situatie. Wanneer die situatie afhankelijk is van een voorafgaande vennootschapsrechtelijke beslissing, moet ook die beslissing rechtsgeldig tot stand zijn gekomen.
Rechtbanken oordelen daarbij bijzonder streng wanneer blijkt dat een aandeelhouder de andere doelbewust buiten spel heeft gezet om zich, tegen een voordelige prijs, de volledige controle over de vennootschap toe te eigenen. In dat geval volstaat een onregelmatigheid zelfs zonder aangetoonde invloed op de stemming om tot nietigheid te leiden, aangezien er sprake is van bedrieglijk opzet.
Naast dat klassieke spoor van het vormgebrek bestaat een tweede, zelfstandige nietigheidsgrond: rechtsmisbruik of bevoegdheidsafwending (art. 2:42, 2° WVV). Waar een vormgebrek in beginsel pas tot nietigheid leidt wanneer de onregelmatigheid de beraadslaging of de besluitvorming kón beïnvloeden of met bedrieglijk opzet werd begaan, vergt dit tweede spoor geen dergelijk bewijs: het volstaat aan te tonen dat een bevoegdheid van een vennootschapsorgaan – bijvoorbeeld om te ontslaan of bijeen te roepen – voor een ander doel werd gebruikt dan waarvoor ze bestaat, of dat de uitoefening ervan kennelijk onredelijk is.
Concreet: wanneer een Bad Leaver-situatie voortvloeit uit een afzonderlijke bestuurs- of aandeelhoudersbeslissing, roep dan alle bestuurders en aandeelhouders correct op, ook de betrokken partij zelf, zelfs wanneer dit onwennig aanvoelt. Een gemiste of incorrecte oproeping kan op zich volstaan om de volledige beslissing, en daarmee de Bad Leaver-situatie, onderuit te halen. Let ook op een eventuele contractuele geschillenregeling: het bewust omzeilen van een voorziene afkoelingsperiode of bindende derdenbeslissing wordt door rechtbanken niet alleen als wanprestatie, maar ook als bijkomende aanwijzing van bedrieglijk opzet beschouwd.
- De gevolgen wanneer het misloopt
Wordt de uitoefening van een Bad Leaver-aankoopoptie ongegrond of onregelmatig bevonden, dan kan de schade aanzienlijk zijn. Omdat de voorwaarden voor de uitoefening niet vervuld waren, ontbreekt aan de daaruit voortvloeiende koop-verkoopovereenkomst een geldige oorzaak (art. 5.53 e.v. Burgerlijk Wetboek): de overeenkomst is nietig. Die nietigheid werkt terug tot de datum van de (beweerde) verkoop (art. 5.62 Burgerlijk Wetboek), met wederzijdse restitutie als gevolg: de aandelen moeten worden teruggegeven, de betaalde prijs moet worden terugbetaald. Omdat de nietigheid beide verbintenissen naar hetzelfde tijdstip terugbrengt, herstelt de wederzijdse restitutie de partijen in beginsel in hun oorspronkelijke positie.
Daar stopt het echter niet. Alle beslissingen die de vennootschap in de tussentijd nam zonder de “uitgesloten” aandeelhouder te betrekken (zoals de goedkeuring van jaarrekeningen, de benoeming van bestuurders, strategische beslissingen) zij eveneens vernietigbaar, precies omdat die aandeelhouder, achteraf bezien, steeds aandeelhouder is gebleven en dus voor al die vergaderingen had moeten worden opgeroepen.
Wie een Bad Leaver-optie licht op een onvoldoende stevige juridische grondslag, riskeert dus niet alleen de nietigverklaring van die ene transactie, maar een cascade van onzekerheid over elke beslissing die daarna binnen de vennootschap werd genomen.
Een doelbewuste, bedrieglijke poging om een medeaandeelhouder tegen een voordelige prijs buiten spel te zetten, kan bovendien ook de persoonlijke aansprakelijkheid van de betrokken bestuurders in het gedrang brengen – onder meer wanneer die werkwijze mee aan de basis ligt van een faillissement.
Concreet: weeg af of de bewijspositie voldoende stevig is om een uitoefening met terugwerkende kracht te doorstaan. Een ongegronde uitoefening zet niet alleen de aandelentransactie op de helling, maar trekt vaak ook latere bestuurs- en aandeelhoudersbeslissingen mee in de nietigheid.
- Toch geen pleidooi tegen de Bad Leaver-clausule
Dit alles is geen pleidooi om Bad Leaver-clausules uit aandeelhoudersovereenkomsten te schrappen. Zonder een dergelijk mechanisme staan de overige aandeelhouders, wanneer een aandeelhouder zich wél daadwerkelijk als een Bad Leaver gedraagt in de praktijk met lege handen. Er bestaat dan geen contractuele, buitengerechtelijke uitweg. De overige aandeelhouders kunnen de betrokkene niet zomaar gedwongen buiten de vennootschap zetten of zijn aandelen overnemen.
Zij zijn dan aangewezen op de gemeenrechtelijke vennootschapsrechtelijke procedures – een geschillenregeling, een vordering tot uitsluiting, in het ergste geval de gerechtelijke ontbinding van de vennootschap wegens wettige reden – die maanden, vaak jaren, in beslag nemen, terwijl de Bad Leaver ondertussen aandeelhouder en/of bestuurder blijft. Een goed opgestelde Bad Leaver-clausule blijft dus een waardevol en vaak onmisbaar instrument. De vraag is niet of, maar hoe zorgvuldig ze wordt opgesteld en, later, toegepast.
Concreet: overweeg, naast de aankoopoptie zelf, een contractuele geschillenregeling (bijvoorbeeld bindend derdenadvies) voor de gevallen waarin partijen het oneens zijn over het bestaan van een Bad Leaver-situatie. Zo behoudt u een snelle uitweg zonder de striktheid die de rechter aanlegt te miskennen.
- Ook na een geldige uitoefening blijft zorgvuldigheid geboden
Zelfs wanneer de Bad Leaver-situatie wel degelijk vaststaat en de kennisgeving correct gebeurt, is het aangewezen om ook de verdere afhandeling nauwgezet te laten verlopen. Een goed opgestelde clausule voorziet doorgaans dat de kennisgeving zelf al de redenen en omstandigheden van de beëindiging bevat, zodat de betrokken partij precies weet waarop de uitoefening steunt. Nadien volgen typisch nog enkele stappen: de effectieve betaling van de prijs en de inschrijving van de aandelenoverdracht in het aandelenregister, de bijeenroeping van de nodige bestuurs- en aandeelhoudersorganen om de nieuwe situatie te bevestigen, en – waar relevant – de voorbereiding van de communicatie naar klanten, personeel en leveranciers.
Ook hier loont het om vooraf te plannen in plaats van achteraf te improviseren. Een communicatieplan dat pas wordt opgesteld nadat de kennisgeving al is verstuurd, komt bijna steeds te laat. Aangezien het lichten van een Bad Leaver-clausule onmiddellijk uitwerking heeft, heeft de betrokken aandeelhouder er belang bij dit zo snel mogelijk te betwisten. Het is makkelijker om een communicatieplan op te stellen wanneer het juridisch conflict nog niet in briefwisseling uitgesponnen wordt. Veel clausules voorzien daarnaast een ingebouwde rem: wanneer de vertrekkende aandeelhouder de geldigheid van de ingeroepen beëindigingsgrond betwist, worden zijn aan de aandelen verbonden rechten geschorst in afwachting van de uitkomst van een buitengerechtelijke geschillenregeling, bijvoorbeeld via een aangestelde bemiddelaar. Zo’n mechanisme beperkt het risico dat een betwiste uitoefening de vennootschap tijdens de procedure zelf verlamt.
Concreet: bereid de opvolging van een kennisgeving al voor vóór ze wordt verstuurd – van de betaling en registeroverschrijving tot de agenda van de eerstvolgende bestuurs- en aandeelhoudersvergaderingen tot de communicatie naar stakeholders. Wie dit pas ná verzending uitwerkt, verliest kostbare tijd net op het moment dat snelheid en eenduidigheid het meest tellen.
- Aandachtspunten bij de redactie van de clausule
- Omschrijf de Bad Leaver-triggers zo objectief en verifieerbaar mogelijk, met een realistische remediëringsprocedure (kennisgeving, hersteltermijn) voor inbreuken die voor herstel vatbaar zijn.
- Voorzie een evenwichtige combinatie van aankoopoptie én geschillenregeling, zodat een discussie over het bestaan van de Bad Leaver-situatie niet automatisch escaleert tot een procedure over de geldigheid van de aandelentransactie – een schorsing van de aandeelhoudersrechten in afwachting van buitengerechtelijke bemiddeling kan daarbij een nuttige tussenstap zijn.
- Laat u vooraf juridisch begeleiden, zowel bij de redactie van de clausule als bij de beslissing om ze daadwerkelijk te lichten. De rechtbank beoordeelt die uitoefening achteraf en met de grootste striktheid, en fouten zijn nadien zeer moeilijk of onmogelijk recht te zetten.
- Denk verder dan de aankoopoptie alleen: een buitengerechtelijke geschillenregeling met een afkoelingsperiode en een bindende derdenbeslissing beperkt niet alleen het procedurele risico, maar ontneemt de tegenpartij ook een argument om nadien bedrieglijk opzet aan te tonen.
- Besluit: een scherp instrument, dat evenveel zorg vraagt bij de uitoefening als bij de redactie
Een Bad Leaver-aankoopoptie beschermt de vennootschap tegen een aandeelhouder die de samenwerking fundamenteel verstoort, maar snijdt even hard terug wanneer ze onzorgvuldig wordt gebruikt. Wie overweegt een dergelijke optie te lichten – of wie ermee wordt geconfronteerd – doet er goed aan zich vooraf te laten adviseren. De gevolgen van een verkeerde inschatting reiken vaak veel verder dan de betrokken aandelentransactie alleen.
Sarah Vanneste en Emma Merchiers
31.08.2026
Hebt u vragen na het lezen van deze blogpost, of wordt u geconfronteerd met een Bad Leaver-situatie of de uitoefening van een aankoopoptie door uw medeaandeelhouder? Wij staan u graag te woord (Sarah.Vanneste@vsadvocaten.be – Emma.Merchiers@vsadvocaten.be).
