Nieuw samengestelde gezinnen zijn vandaag geen uitzondering meer. Dat brengt een grotere kans op familiale conflicten met zich mee, die in het ergste geval uitmonden in de onterving van een kind. Toch beperkt het Belgische erfrecht de vrijheid van de erflater: bepaalde erfgenamen hebben recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap, de zogenaamde reserve, waarover de erflater niet vrij kan beschikken.
Sinds de hervorming van het erfrecht op 1 september 2018 is die bescherming wel grondig van karakter veranderd. Waar de onterfde erfgenaam vroeger mee aan tafel zat bij de verdeling van de nalatenschapsgoederen, heeft hij vandaag in de regel enkel nog een geldvordering. Dat leidde tot heel wat rechtsonzekerheid over de vraag hoe hij die vordering nog kon laten becijferen. De wet van 18 juni 2025 bracht daar onlangs duidelijkheid in.[1]
In deze bijdrage lichten wij toe wie recht heeft op een reserve, hoe de positie van de onterfde erfgenaam sinds 2018 is veranderd, wat de nieuwe wet oplost en welke risico’s blijven bestaan.
[1] Wet van 18 juni 2025 tot wijziging van de artikelen 572bis, 1179 en 1184 van het Gerechtelijk Wetboek, van het vierde deel, boek IV, hoofdstuk VI, van hetzelfde Wetboek, met betrekking tot de verdelingen en veilingen, evenals van artikel 4.101 van het Burgerlijk Wetboek op vereffening-verdeling, BS 27 juni 2025, in werking getreden op 7 juli 2025.
- Wie heeft recht op een reserve?
Sinds 1 september 2018 zijn enkel nog de kinderen en de langstlevende echtgenoot reservataire erfgenamen:
- De kinderen: hun reserve bedraagt steeds de helft van de rekenboedel, ongeacht het aantal kinderen.[2] Die globale reserve wordt onder de kinderen verdeeld volgens hun wettelijk erfdeel. Bij drie kinderen bedraagt de individuele reserve van elk kind dus 1/6;
- De langstlevende echtgenoot: anders dan de langstlevende wettelijk samenwonende partner heeft de echtgenoot ook een reserve. Die bestaat uit minstens het vruchtgebruik op de helft van de rekenboedel (de ‘abstracte reserve’) en in elk geval het vruchtgebruik op de gezinswoning en het huisraad (de ‘concrete reserve’), ook wanneer dat meer dan de helft van de rekenboedel vertegenwoordigt.[3]
Wie als reservataire erfgenaam onterfd werd, moet zijn reserve zelf opeisen. Dat gebeurt door de inkorting te vorderen van de giften (schenkingen en legaten) die het beschikbaar deel overschrijden. Die inkorting gebeurt nooit van rechtswege: u moet ze zelf vragen.
De wijze waarop die inkorting gebeurt, is de voorbije jaren echter grondig veranderd.
[2] Art. 4.145 BW.[3] Art. 4.147, § 1 (abstracte reserve) en § 2 (concrete reserve) BW.
- Vóór 1 september 2018: de reserve verankerd in de goederen zelf
Voor nalatenschappen die vóór 1 september 2018 zijn opengevallen, gebeurde de inkorting in beginsel in natura. De onterfde reservatair bleef met andere woorden deelgenoot in de nalatenschap en had een zakenrechtelijke aanspraak op de nalatenschapsgoederen zelf. Die goederen konden niet zomaar buiten hem om worden verkocht. Bovendien kon hij steeds de gerechtelijke vereffening-verdeling vorderen bij de familierechtbank, die een notaris-vereffenaar aanstelt om de rekenboedel samen te stellen en een staat van vereffening op te maken.[4]
Daarnaast beschikte de onterfde reservatair over een volgrecht op doorverkochte goederen. Bleek de begiftigde na uitwinning onvermogend, dan kon de reservatair zijn vordering instellen tegen de derde-verkrijger van het geschonken onroerend goed. Het risico op insolvabiliteit van de begiftigde lag zo in de praktijk bij de derde-verkrijger, niet bij de onterfde reservatair. Precies dat blijvende risico (begiftigden en opeenvolgende verkrijgers hadden geen rechtszekerheid zolang de nalatenschap van de schenker niet was vereffend) was voor de wetgever de voornaamste reden om de inkorting in natura te verlaten.
[4] Art. 1207 e.v. Ger.W.
- Sinds 1 september 2018: van een aandeel in de goederen naar een geldvordering
Is de nalatenschap vanaf 1 september 2018 opengevallen, dan gebeurt de inkorting in beginsel niet meer in natura, maar in waarde.[5] Strikt genomen blijft de reserve zelf een reserve in natura: het is de vordering tot inkorting die in waarde wordt uitgeoefend. Een inkorting in natura is nog slechts mogelijk in drie gevallen: wanneer de begiftigde daar zelf voor kiest, wanneer een legaat in volle of blote eigendom werd toegekend aan iemand die geen erfgenaam is, of wanneer de langstlevende echtgenoot zijn concrete reserve uitoefent.
Voor de onterfde reservatair zijn de gevolgen verstrekkend. Hij beschikt nog enkel over een geldelijke schuldvordering tegenover de begunstigde erfgenaam, en niet langer over een aanspraak op de concrete nalatenschapsgoederen. Volgens de meerderheid in de rechtsleer is hij dan ook geen deelgenoot meer in een onverdeeldheid. Hij kan evenmin voorrang inroepen: zijn vordering is chirografair en gericht tegen de begunstigde persoonlijk, niet tegen de nalatenschap. Hij blijft evenwel erfgenaam, met de rechten en plichten die daaraan verbonden zijn (zie verder).
Omdat hij geen zakenrechtelijke aanspraak meer heeft op de nalatenschapsgoederen, is zijn toestemming ook niet meer vereist wanneer de begunstigde erfgenaam een onroerend goed uit de nalatenschap verkoopt. Ook het vroegere volgrecht werd sterk ingeperkt: de reservatair kan zich nog slechts tot een derde-verkrijger wenden wanneer de begiftigde vooraf werd uitgewonnen én het goed kosteloos heeft doorgegeven.[6] Wie vandaag een geschonken goed onder bezwarende titel koopt, hoeft de onterfde reservatair dus niet meer te vrezen.
Let wel: niet elke beperking van een reservataire erfgenaam is een onterving. Heeft de erflater enkel het beschikbaar deel aan één kind of aan zijn echtgenoot gelegateerd, dan wordt de reserve van de andere kinderen in beginsel niet aangetast en is er geen inkorting nodig. Zij blijven dan in natura gerechtigd en in onverdeeldheid met de legataris.
[5] Art. 4.150 BW.[6] Art. 4.156, § 2 BW.
- Het knelpunt: geen toegang meer tot de vereffening-verdeling?
Omdat een inkorting in waarde geen onverdeeldheid meer doet ontstaan, ontstond vooral in de rechtsleer grote onenigheid over een cruciale vraag: kon de onterfde reservatair nog wel een notaris-vereffenaar laten aanstellen via de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling, die net een onverdeeldheid vereist? Voor wie zijn reserve wil laten becijferen, is die procedure immers het aangewezen instrument.
Wie die weg afgesloten achtte, moest terugvallen op minder geschikte instrumenten. Een boedelbeschrijving kan de onterfde reservatair weliswaar zonder machtiging van de vrederechter laten opmaken, maar die maakt de notaris niet bevoegd om de vereffening verder door te voeren. Een alternatief was een deskundigenonderzoek door een notaris als gerechtsdeskundige. In de praktijk moest de onterfde reservatair zo vaak zelf, met onvolledige kennis van de samenstelling van de nalatenschap, de omvang van zijn vordering becijferen. Die oefening bleek zelden haalbaar, zeker wanneer de onterfde reservatair op afstand stond van de erflater.
Gepubliceerde rechtspraak was schaars. Zowel in de rechtsleer als binnen het Comité voor Studie en Wetgeving van het notariaat werd dan ook aangedrongen op een wetgevend ingrijpen.
- De wet van 18 juni 2025: rechtszekerheid hersteld
Met de wet van 18 juni 2025, die sinds 7 juli 2025 van kracht is, maakt de wetgever komaf met die onzekerheid. De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de procedureregels van de gerechtelijke vereffening-verdeling ook toepasbaar zijn wanneer er geen onverdeeldheid bestaat. De onterfde reservatair kan dus opnieuw, net zoals vóór 2018, een notaris-vereffenaar laten aanstellen om zijn reserve te laten becijferen. Daarmee bevestigt de wetgever een strekking die in de rechtsleer en binnen het notariaat al werd verdedigd.
Omdat de onterfde reservatair geen deelgenoot is in een onverdeeldheid, blijven wel een aantal specifieke stappen voorbehouden aan de partijen die dat wél zijn, bijvoorbeeld wanneer meerdere kinderen samen als algemeen legataris werden aangeduid. Het gaat onder meer om het verzoek tot verkoop van goederen of de toewijzing van onverdeelde goederen na een openbare verkoop.
Daarnaast bevestigt de wet uitdrukkelijk dat ook de schuldeisers van de onterfde reservatair zich kunnen verzetten tegen een vereffening die buiten hun aanwezigheid plaatsvindt.[7]
Concreet: wie onterfd werd en zijn reserve wil laten becijferen, kan opnieuw de gerechtelijke vereffening-verdeling vorderen. Het is niet langer nodig om zelf, met onvolledige gegevens, de omvang van de vordering te berekenen.
[7] Art. 4.101 BW, zoals gewijzigd door de wet van 18 juni 2025.
- Blijvend knelpunt: de vervreemding van nalatenschapsgoederen
Ondanks deze verduidelijking blijft een belangrijk risico bestaan. Omdat de begunstigde erfgenaam de nalatenschapsgoederen intussen vrij kan verkopen, bestaat het risico dat hij zich, al dan niet doelbewust, insolvabel maakt vooraleer de inkortingsvordering definitief is vastgesteld. De notariële procedure kan jaren aanslepen. Dat geeft een begunstigde ruim de tijd om zich onvermogend te organiseren, terwijl de onterfde reservatair zelf geen zeggenschap heeft over het beheer of de vervreemding van de nalatenschap.
Ook een bewarend beslag biedt hier geen zekere oplossing. De beslaglegger moet immers aantonen dat zijn schuldvordering zeker en opeisbaar is en vaststaat of minstens vatbaar is voor een voorlopige raming, en dat er sprake is van hoogdringendheid.[8] Zolang de omvang van de inkortingsvordering niet is vastgesteld, is het onzeker of de beslagrechter een beslag zal toestaan.
Wel beschikt de onterfde reservatair over andere middelen om de toestand te bevriezen. Hij kan bij een ernstig belang een verzegeling vorderen of een boedelbeschrijving met eedaflegging laten opmaken.[9] Desnoods kan hij in kort geding bewarende maatregelen vragen[10] of de rechter verzoeken om voorlopige maatregelen,[11] zoals de consignatie van de verkoopprijs van een verkocht onroerend goed.
Daarnaast kan hij de nalatenschap aanvaarden onder voorrecht van boedelbeschrijving. Die keuze werkt ook ten aanzien van de begunstigde, zelfs als die de nalatenschap zuiver heeft aanvaard.[12] Bij een gebrekkig beheer kan de rechtbank bovendien een externe beheerder aanstellen.[13] Hoe ver die bescherming tegenover de begunstigde reikt, is in de rechtsleer echter nog niet uitgeklaard.
Concreet: wacht niet tot de begunstigde de nalatenschapsgoederen heeft verkocht. Hoe sneller u bewarende maatregelen neemt, hoe groter de kans dat uw reserve ook effectief kan worden gerecupereerd.
[8] Art. 1413 en 1415 Ger.W.[9] Verzegeling: art. 1148 Ger.W.; boedelbeschrijving: art. 1177 juncto 1167 Ger.W.[10] Art. 584, tweede lid en art. 1253ter/4, § 1 Ger.W.[11] Art. 19, derde lid Ger.W.[12] Art. 4.57 BW.[13] Art. 4.54 BW.
- Erfgenaam met plichten, maar zonder zeggenschap
Ondertussen moet de onterfde reservatair, tenzij hij de nalatenschap verwerpt, wél een aangifte van nalatenschap indienen en erfbelasting betalen op wat hij uit de nalatenschap verkrijgt, zonder de vereffening te kunnen afwachten. Heeft hij de nalatenschap zuiver aanvaard, dan staat hij bovendien persoonlijk, naar evenredigheid van zijn aandeel, in voor de schulden en lasten van de nalatenschap, ook met zijn eigen vermogen.[14]
Dat staat in schril contrast met het feit dat hij geen enkele zeggenschap heeft over het beheer en de verkoop van de nalatenschapsgoederen, en zijn reserve mogelijk nooit effectief recupereert.
Concreet: sta stil bij uw erfkeuze. Een aanvaarding onder voorrecht van boedelbeschrijving beschermt uw eigen vermogen tegen de schulden van de nalatenschap en kan, zoals hierboven toegelicht, bijkomende bescherming bieden tegenover de begunstigde.
[14] Art. 4.98 BW.
- Besluit: een belangrijke stap vooruit, maar geen volledig herstel
De wet van 18 juni 2025 heeft een belangrijk knelpunt in het nieuwe erfrecht weggewerkt: de onterfde reservatair kan opnieuw een notaris-vereffenaar laten aanstellen om zijn reserve te laten becijferen, ook wanneer er geen onverdeeldheid bestaat. Dat is een aanzienlijke stap vooruit voor de rechtszekerheid.
Toch blijft de positie van de onterfde reservatair minder voordelig dan onder het oude recht. Waar de reserve vroeger stevig verankerd zat in de nalatenschapsgoederen zelf, is zijn aanspraak vandaag herleid tot een geldvordering, met een reëel risico op onvolledige recuperatie. Wie met een onterving wordt geconfronteerd, doet er dan ook goed aan zich tijdig te laten adviseren, zowel over de te volgen procedure als over de bewarende maatregelen die zijn reserve zo goed mogelijk veiligstellen.
VSA WEALTH
Hebt u vragen na het lezen van deze blogpost, of wordt u geconfronteerd met een onterving of een geschil over een nalatenschap? VS Advocaten begeleidt u doorheen het volledige traject: van een eerste inschatting van uw rechten tot de effectieve vereffening-verdeling en, waar nodig, bewarende maatregelen. Wij staan u graag te woord.
Stefan De Plus
28 oktober 2026
