AANDEELHOUDERSCHAP BINNEN EEN VENNOOTSCHAP: WAT ALS HET TUSSEN DE AANDEELHOUDERS NIET MEER BOTERT? (DEEL 2)

Wanneer er tussen aandeelhouders spanningen ontstaan, kan dit de werking van de vennootschap sterk beïnvloeden. Deze spanningen zullen zich meestal situeren in de beroepssfeer, doordat de aandeelhouders het bijvoorbeeld niet eens zijn over de toekomst van de vennootschap, maar kunnen ook hun oorzaak vinden in het privéleven van de aandeelhouders. Hierbij wordt onder meer gedacht aan een relatiebreuk, familieruzies of ernstige pesterijen.

Zo’n situaties zijn vaak niet houdbaar, waardoor het vertrek van één (of meer) aandeelhouder(s) noodzakelijk is. Maar welke mogelijkheden bestaan er hiertoe?

In een vorige bijdrage besprak Mr. Deracourt de geschillenregelingsprocedure [https://vsadvocaten.be/aandeelhouderschap-binnen-een-vennootschap-wat-als-het-tussen-de-aandeelhouders-niet-meer-botert-deel-1/].

Het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen voert daarnaast ook de mogelijkheid in tot uitsluiting of uittreding ten laste van het vennootschapsvermogen. De uittredende of uitgesloten aandeelhouder geeft als het ware zijn aandelen terug aan de vennootschap die deze vernietigt. Het belangrijkste verschil met de wettelijke geschillenregeling is dat niet de overblijvende aandeelhouders de overname van de aandelen van de uitgesloten of uittredende aandeelhouder financieren, maar wel de vennootschap zelf. Deze procedure bestond al in de oude CVBA en bestaat op vandaag in de BV en de CV. 

In de BV moet de procedure wel voorzien zijn in de statuten. Vennootschappen die hun statuten nog niet aanpasten aan het WVV kunnen van deze regeling dus geen gebruik maken (zie hierover deze bijdrage: https://vsadvocaten.be/inwerkingtreding-wetboek-vennootschappen-en-verenigingen-wvv/).

De statuten bepalen vrij de modaliteiten van de uittreding of uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen.

Wij adviseren om zeker de volgende aspecten te regelen in de statuten:

  • Om welke redenen kan een aandeelhouder uitgesloten worden? Moet een uittredende aandeelhouder een motivatie opgeven om te kunnen vertrekken?
  • Kan een uittreding op ieder moment of slechts tijdens een gedeelte van het boekjaar? Indien niets is voorzien, dan is uittreding enkel mogelijk tijdens de eerste zes maanden van het boekjaar, wat misschien niet wenselijk is.
  • Kan een aandeelhouder in geldnood zijn aandelen gedeeltelijk “teruggeven” en voor het overige wel aandeelhouder blijven? Bij gebreke aan andersluidend bepaling is dit niet mogelijk en moet dus met alle aandelen tegelijk worden uitgetreden. 
  • Hoeveel bedraagt het scheidingsaandeel van de uitgesloten of uittredende vennoot? Indien de statuten niets bepalen is het scheidingsaandeel beperkt tot de inbreng van de aandeelhouder (voor zover dit de netto-actiefwaarde van deze aandelen niet overschrijdt). Indien de vennootschap winsten heeft opgebouwd worden deze dus niet mee uitbetaald. Het scheidingsaandeel zal dus in beginsel lager zijn dan de werkelijke waarde van de vennootschap. Het verdient aanbeveling om dit statutair te moduleren.  

Zo kan bijvoorbeeld een formule worden opgenomen in functie van de werkelijke waarde van de aandelen. In geval van de uitsluiting van een aandeelhouder zou bijvoorbeeld een onderscheid kunnen gemaakt worden tussen “good leaver” situaties (bv. uitsluiting na een onvrijwillig ontslag) en “bad leaver” situaties (bv. uitsluiting na een ontslag omwille van een zware fout).

  • Hoeveel tijd heeft de vennootschap om het scheidingsaandeel te betalen? De wet voorziet dat de uittreding uitwerking heeft op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar en het scheidingsaandeel uiterlijk één maand nadien moet worden betaald, maar hiervan kan dus worden afgeweken. In ieder geval mogen geen uitkeringen plaatsvinden zolang de vennootschap niet voldoende solvabel is of niet over voldoende liquiditeiten beschikt.

Er kan echter niet worden afgeweken in de statuten van het principe dat oprichters slechts met ingang van het derde boekjaar na de oprichting kunnen uittreden. Op die manier wordt vermeden dat oprichters zich zouden kunnen onttrekken aan hun oprichtersaansprakelijkheid. Uitsluiting van oprichters in deze periode is wel mogelijk.

Enkel de algemene vergadering kan beslissen over de uitsluiting van een vennoot. Hiervan kan evenmin worden afgeweken.

Nog een bijzonderheid: de uitsluiting of uittreding van een vennoot ten laste van het vennootschapsvermogen vereist geen statutenwijziging. Eenmaal per jaar, vóór het einde van het boekjaar, worden alle uittredingen en uitsluitingen vastgesteld in een authentieke akte die wordt verleden op verzoek van het bestuursorgaan. Dit maakt de regeling bijzonder flexibel in gebruik.

De uittreding of uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen is dus een soepeler mechanisme om geschillen te beslechten. Het geeft de vennoten de vrijheid om vooraf de afspraken over hun exit vast te leggen. Hiermee vermijden de vennoten een langdurige procedure voor de rechtbank waarvan de uitkomst onzeker is.

Er is helaas ook een keerzijde aan de medaille. Een statutaire regeling over de uittreding of uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen kan de wettelijke geschillenregeling enkel aanvullen maar niet vervangen. De twee mechanismen bestaan met andere woorden naast elkaar. Dit leidt tot het ongewenste gevolg dat de vennoten op het ogenblik van het geschil nog de keuze hebben tussen beide mechanismen. De aandeelhouder die wenst te vertrekken, zal opteren voor de optie met het hoogste scheidingsaandeel. De aandeelhouder die een andere aandeelhouder wenst uit te sluiten, zal daarentegen vermoedelijk opteren voor een uitsluiting ten laste van het vennootschapsvermogen om de financiering niet te moeten dragen. Deze rechtsonzekerheid was wellicht niet de bedoeling van de wetgever.

Voor meer informatie over uw mogelijkheden in geval van een aandeelhoudersconflict, kan u ons steeds contacteren (sofie.mombaerts@vsadvocaten.be).

nl_BENL